Hoe werkt het
Oester
Houting
Geep
Bot
Zeebaars
Schar
Harder
Sprot
Garnaal
Ansjovis
Spiering
Kabeljauw
Haring
Wijting
Dwergpijlinktvis
Tong
Paling

Biologie

Gepen zijn licht en temperatuur gevoelig. Het zijn zichtjagers met zeer lichtgevoelige ogen. Gepen trekken in het voorjaar naar ondiepe kustwateren om zich daar in mei-juni in ondiep water voort te planten. In oktober verlaten ze het Wad en trekken naar zee. In gevangenschap vermijden volwassen gepen (40-70 cm) fel licht in de winter, en vertonen ze paniekreacties wanneer de watertemperatuur zakt beneden de 6-7 °C.

De relatief grote eieren (2 à 3 mm) hechten met kleefdraden aan rotsen en zeewier of aan zeegras. In Nederland zie je paaiende gepen vaak boven bestortingen, waaronder ook droogvallende kribben. Het vasthechten van de eieren voorkomt dat ze gaan zweven (in zout water) of naar de bodem zakken (in brak water). De eieren komen voornamelijk ’s nachts uit, na 2 tot 3 weken bij temperaturen van respectievelijk 20 °C en 16 °C. Voor de ei-ontwikkeling zijn een watertemperatuur 15-18 °C en zoutgehalte van 15-33 promille optimaal. Bij lage temperatuur (9 °C) ontwikkelen de eieren, maar komen ze niet uit.
Wanneer de geepjes uit het ei komen zijn ze ruim 1 cm lang. Jonge geepjes kunnen overleven bij temperaturen tussen 13 °C en 25 °C en een saliniteit van 7 tot 50 promille.

Geeplarven groeien snel; afhankelijk van de temperatuur worden lengtes van 33 (bij 18 °C) tot 63 mm (bij 26 °C) bereikt na 50 dagen. Vanaf een lengte van 3 cm kunnen de geeplarven actief zwemmen. In deze fase zijn de jonge gepen kwetsbaar voor ruwe golven door harde wind. Aan het einde van hun eerste zomer (12-15 cm) kunnen jonge gepen gezien hun zwemsnelheid ongeveer 200 km afstand afleggen in een maand. De jonge gepen blijven in ondiep water totdat ze geslachtsrijp worden.

Eenjarige gepen werden tijdens onderzoek weinig gevangen nabij de kust; er wordt vermoed dat zij niet zo dicht onder de kust komen als de oudere gepen, die naar de ondiepe kustzone migreren voor de voortplanting. De ruimtelijke scheiding van jonge en volwassen gepen vermindert ook de kans op kannibalisme.

Bij tweejarige vissen (derde zomer) bereiken vrouwtjes een grotere lengte (tot gemiddeld 66.7 cm) dan mannetjes (61.7 cm). In het derde levensjaar, bij het bereiken van geslachtsrijpheid, neemt de groeisnelheid af.
De lengte waarbij 50% van de geep populatie geslachtsrijp is, wordt geschat op gemiddeld 28.5 cm; voor mannetjes gepen 28.0 cm en voor vrouwtjes 31.5 cm. De relatief lage vruchtbaarheid neemt toe met de leeftijd, en varieert van 1.000 tot >30.000 eieren per individu per paaiseizoen.

Wisselende jaarklasseterktes lijken verklaard te kunnen worden door variaties in watertemperatuur tijdens het voortplantingsseizoen en ook door het weer in de zomer, waarbij de overleving van jongen hoger is bij rustig weer.
De maximale leeftijd varieert sterk met het gebied waar zij voorkomen.